Pensioenonderhandelingen



De federale regering heeft in 2016 een hele reeks negatieve maatregelen genomen tegenover het overheidspersoneel. We sommen hieronder op wat er voor jou veranderd is of nog moet veranderen.

Hoeveel betalen om hogere studies te laten meetellen voor je pensioen?

Belangrijk

Dit is al wetgeving voor de overheidspensioenen: sinds begin 2016 tellen periodes van hogere studies minder mee voor de vaststelling van het ogenblik waarop je vervroegd met pensioen kan. Vanaf 2016 wordt elke studieperiode, elk jaar met zes maand verminderd tot er niets meer van overblijft. Op dat moment zal de studieperiode niet meer meetellen bij het bepalen van de vroegste pensioendatum.
Dit is nieuw: De periode van hogere studies komt niet meer in aanmerking voor berekening van het pensioenbedrag, tenzij je zelf betaalt. Dit komt dus neer op minder pensioen. Opgebouwde bonificaties blijven wel behouden.

Wat verandert er voor werknemerspensioenen (dus inclusief de contractuelen van de openbare sector)?

Voortaan kan de volgende studieperiode worden geregulariseerd: de normale duur van de studieperiode waarna je een diploma behaald hebt.
De regularisatie is mogelijk op basis van een forfaitair bedrag binnen de tien jaar na het einde van de studies en op basis van een percentage van de pensioenopbrengst na tien jaar na het einde van de studies. Het forfait bedraagt 1500 euro aan de huidige index.

Overgangsmaatregel: iedereen krijgt gedurende drie jaar (van 1 juni 2017 tot 1 juni 2020) een nieuwe mogelijkheid om studiejaren af te kopen volgens de voorwaarden die gelden binnen de tien jaar na het beëindigen van de studies. Betalen om je studiejaren te laten meetellen is mogelijk voor studiejaren vanaf je twintigste verjaardag. Daarbij betaal je een forfaitaire bijdrage van 1500 euro per jaar. 

Volgend schema geeft een overzicht van de regeling voor werknemers:

VanTotBijdrage per studiejaar  (huidige index)
1/6/201729/2/20201500
1/6/2020< 10 j voor studies1500
1/6/2020> 10 jaar voor studiesNog te bepalen: % pensioenopbrengst


Wat verandert er voor de overheidspensioenen?

Voor pensioenen die ten vroegste kunnen ingaan vanaf 1 juni 2018 betaal je een persoonlijke bijdrage om een studieperiode te laten meetellen voor het pensioenbedrag.

Voorwaarden:
Wie zijn studiejaren afkoopt binnen de tien jaar na behalen van diploma betaalt een forfaitaire bijdrage per studiejaar. Die bedraagt 1500 euro per te regulariseren jaar. Dat bedrag evolueert met index.

Wie meer dan tien jaar na het behalen van het diploma zijn studiejaren afkoopt, betaalt een hoger bedrag. Dat stemt overeen met een percentage van de waarde van het pensioenvoordeel op het moment van de bijdrage.

Ook voor het overheidsstelsel geldt gedurende drie jaar een overgangsmaatregel. Ambtenaren krijgen, net als werknemers, gedurende drie jaar (van 1 juni 2017 tot 1 juni 2020) de mogelijkheid om hun studiejaren af te kopen volgens de voorwaarden die gelden binnen de tien jaar na het beëindigen van de studies. Daarbij is een forfaitaire bijdrage verschuldigd van 1500 euro per jaar.  

Specifiek voor ambtenaren geldt voor twee jaar een extra overgangsmaatregel als compensatie voor het verlies van de gratis diplomabonificatie. Tussen 1 juni 2017 en 1 juni 2019 wordt de forfaitaire bijdrage verminderd met 15 %. Dan betaal je geen 1500 euro per studiejaar, maar slechts 1275 euro.

Volgend schema geeft een overzicht van de regeling in het overheidsstelsel:
VanTotBijdrage per studiejaar  (huidige index)
1/6/201731/05/20191275
1/6/201931/05/20201500
1/6/2020< 10 j voor studies1500
1/6/2020> 10 jaar voor studiesNog te bepalen: % pensioenopbrengst


Er is geen persoonlijke bijdrage nodig voor opgebouwde rechten 

De diplomabonificatie die je op 1 juni 2017 hebt verworven op basis van de oude regeling in het overheidsstelsel, blijft behouden in verhouding tot de loopbaan. De diplomabonificatie vermenigvuldigd wordt dan vermenigvuldigd met de verhouding tussen de loopbaanduur op 1 juni 2017 en 540. De verworven diplomabonificatie wordt vastgeklikt. Die periode dien je alvast niet te regulariseren.

Voorbeeld: Wie uitzicht had op een bonificatie van vier jaar (= 48 maanden), maar slechts een loopbaan van 20 jaar (= 240 maanden) heeft op 1 juni 2017, behoudt het recht op een gratis bonificatie van 21 maanden. Dit wordt dan als volgt berekend: 48 maanden x 240/540 = 21,33 maand > wordt afgerond naar beneden op 21 maanden.

Gevolg: 48 - 21 = 27 maanden die je dan eventueel nog kan laten meetellen door studiejaren af te kopen.

Preciseringen 

Een regularisatiebijdrage is een persoonlijke sociale zekerheidsbijdrage die fiscaal aftrekbaar is.

Afgekochte jaren tellen ook mee voor berekening van overlevingspensioen (of de overgangsuitkering in het kader van die regeling).

Het maximumpensioen blijft van toepassing. Het pensioen mag niet hoger zijn dan maximum 75% van de wedde. Het laten meetellen van studiejaren boven het maximumpensioen levert dan ook geen voordeel op. Het pensioen mag immers nooit hoger zijn dan het maximum. De bijdragen die daarvoor betaald werden, zijn verloren. Regularisatiebijdragen worden namelijk nooit terugbetaald. 
Het afkopen van studiejaren brengt evenmin iets op wanneer je een laag pensioeninkomen hebt, d.w.z. een pensioen tussen 15 518,54 euro en 17 027,20 euro per jaar. Dan wordt een valorisatie volledig weg belast en is ze dus niet zinvol. 

De valorisatie van studiejaren kan nooit tot gevolg hebben dat je vroeger met pensioen kan gaan. Het heeft enkel een weerslag op het pensioenbedrag.

Welke studieperiodes kan je afkopen?

Je kan studieperiodes afkopen die geleid hebben tot het behalen van een diploma, doctoraat of beroepskwalificatie. Slechts één volledige studieperiode die overeenstemt met één finaal diploma kan afgekocht worden om ze te laten meetellen bij je pensioenberekening. De duur van de af te kopen studieperiode wordt verminderd met de vastgeklikte diplomabonificatie. Een periode waarvoor je een bonificatie krijgt, kan je immers niet nog eens afkopen. 

De volgende periodes kunnen afgekocht worden: 
  • één studieperiode van een volledige cyclus die geleid heeft tot het behalen van één finaal diploma hoger onderwijs of hoger beroepsonderwijs
  • het zevende jaar secundair onderwijs, waarbij een certificaat behaald werd
  • één jaar leercontract, waarbij een certificaat behaald werd
  • de periode van maximum twee jaar waarin een doctoraatsthesis wordt voorbereid
  • de beroepsstages die vereist zijn bij de studies
 

De huidige regeling blijft gelden voor:

Pensioenen die ingaan voor 1 juni 2018.
  • Wie op 1 juni 2018 aan voorwaarden voor vervroegd pensioen voldoet, maar later met (vervroegd) pensioen gaat. Wie voor die datum voldoet aan de voorwaarden van het vervroegd pensioen hoeft dus niet speciaal snel z’n pensioen aan te vragen.
  • Wie op 1 juni 2017 met verlof voorafgaand aan pensionering is (= vervroegde uitstapregelingen).


Heeft studiejaren afkopen zin? 

Voor ambtenaren telt een afgekocht jaar gewoon mee in de loopbaan waarmee het pensioen wordt berekend. Zo'n jaar brengt jaarlijks in principe 1/60e van de referentiewedde op. Hoe hoger die referentiewedde, hoe sneller je je regularisatie terugverdient. Met een modaal loon heb je zo na twee tot vier jaar pensioen je bijdrage terugverdiend.

Erg belangrijk ook is het fiscaal voordeel: de regularisatiebijdrage is een persoonlijke sociale zekerheidsbijdrage die fiscaal aftrekbaar is.
  
Daarnaast dien je ook rekening te houden met het maximumpensioen. Meer dan drie studiejaren afkopen zal dan ook vaak niet zinvol zijn. De loopbaanvoorwaarde voor het vervroegd pensioen is immers ten minste 42 jaar. Indien je loopbaan 42 jaar bedraagt en je betaalt voor meer dan drie jaar, dan overschrijd je het maximum.

Bij een gemengd pensioen kan eenzelfde probleem zich voordoen omdat dan in principe maar 45 jaar in rekening gebracht kunnen worden (eenheid van loopbaan).

Het afkopen van studiejaren brengt evenmin iets op wanneer je een laag pensioeninkomen hebt, d.w.z. een pensioen tussen 15 518,54 euro en 17 027,20 euro per jaar. Dan wordt een valorisatie volledig weg belast en is ze dus niet zinvol. 

En ja, ook bij een voortijdig overlijden heb je geen opbrengst meer. Al zal de afgekochte studieperiode nog wel nog in aanmerking genomen worden bij de vaststelling van het overlevingspensioen.  

Vuistregels voor de regularisatie

Indien je een regularisatie overweegt ga je best uit van de volgende vuistregels: 
  • Bekijk of een regularisatie voor 1 juni 2019 voor jou zinvol kan zijn. Tot dan betaal je immers 1275 euro per studiejaar. Indien je pensioen ingaat tussen 1 juni 2018 en 31 mei 2019 dien je er mee rekening te houden dat je steeds voor de ingangsdatum het pensioen je aanvraag moet indienen. Wanneer je nog maar net afgestudeerd bent kan je eventueel nog wachten tot je net geen tien jaar afgestudeerd bent.
  • Bereken hoeveel je kan regulariseren en wat het ideale tijdstip is voor de regularisatie. Hou onder meer rekening met het maximumpensioen. We helpen je daar graag bij. 
  • Wie tot 1 juni 2018 met pensioen kan, behoudt de oude diplomabonificatie. Dat geldt ook voor mensen op die datum op pensioen kunnen, maar beslissen om later op pensioen te gaan.  
Heb je een concrete vraag over dit onderwerp? Stel ze hier
We doen ons best om zo snel mogelijk te antwoorden. 

Diplomabonificatie telt niet meer mee voor recht op vervroegd pensioen

De diplomabonificatie telde in het overheidsstelsel zowel mee bij de berekening van het pensioenbedrag, als voor het recht op vervroegd pensioen. Dat laatste wordt nu in sneltempo afgebouwd door de wet van 28 april 2015.  

De diplomabonificatie wordt voor het pensioenrecht in principe afgebouwd met 6 maanden per jaar vanaf 2016.
Na ons protest werd die afbouw getemperd voor diploma’s met een studieduur van 2 of 3 jaar. Die worden iets trager afgebouwd met respectievelijk 4 en 5 maanden per jaar, in plaats van 6 maanden per jaar.

Dat gebeurt op basis van het volgende schema:
Vanaf 2030 zal geen enkel diploma nog meetellen voor het pensioenrecht. In de praktijk echter gaat de diplomabonificatie voor de meeste ambtenaren verloren tussen 2019 en 2024 (zie voorgaand schema - onvolledige jaren leveren meestal niets op).

Garanties afbouw diplomabonificatie voor het pensioenrecht

Tegenover de afbouw van de bonificatie voor het recht op vervroegd pensioen staan ook een aantal garanties. 
  • De diplomabonificatie wordt afgebouwd tot wanneer men met vervroegd pensioen kan gaan. De op dat moment resterende bonificatie wordt vastgeklikt. Men wil immers vermijden dat men met pensioen zou gaan om een verdere afbouw van de bonificatie te vermijden.
  • Daarnaast wordt voorzien dat de vermindering van de diplomabonificatie niet van toepassing is voor personeelsleden die voor 1 januari 2015 in een voltijdse of deeltijdse disponibiliteit voorafgaand aan de oppensioenstelling, ingaand ten laatste op 2 september 2015, hadden aangevraagd of konden aangevraagd hebben. 
  • Voor wie geboren is voor 1962 wordt het aantal bijkomend te werken jaren, ingevolge de nieuwe wetgeving, beperkt. Wie geboren is voor 1958 dient maximum 1 jaar langer te werken; dat wordt 2 jaar voor wie geboren is in 1958 of 1959; en 3 jaar voor wie geboren is in 1960 of 1961. Voor wie geboren is voor 1962 worden dus twee berekeningen gemaakt. Eén berekening op basis van de nieuwe wetgeving en één berekening op basis van de oude wetgeving (met volledige bonificatie) plus één, twee of drie jaar. De berekening die de vroegste pensioendatum oplevert, bepaalt het pensioenrecht. 

Waarmee moet je rekening houden? 5 tips!

  1. Door een storting te doen, kan je niet vroeger op pensioen. De vroegste pensioenleeftijd is wettelijk bepaald. Storten voor hogere studies verandert daaraan niets. Storten kan alleen een effect hebben op het bedrag van je pensioen.
  2. Wie gebruik maakt van de overgangsregeling van 3 jaar kan met een haalbaar bedrag het pensioen opkrikken. Zeker wie op het einde van z’n loopbaan staat, heeft er belang bij om z'n situatie eens goed te laten berekenen. Wie nog vele jaren voor de boeg heeft ...
  3. Heb je nog vele jaren voor de boeg tot je pensioenleeftijd? Dan wordt de afweging een dubbeltje op z'n kant. Om te weten of je belang hebt bij een storting hangt dan af van de toekomstige evolutie van de intrestvoeten, de evolutie van je loopbaan, van mogelijke nieuwe wijzigingen in de pensioenwetgeving, van je leeftijdsverwachtingen, etc. Als je het ons vraagt, dan wordt dat een pure gok. Het is vermoedelijk beter dat je de investering gewoon belegt.
  4. Ben je van plan wat langer te werken, dan heeft een storting vaak geen zin. Want door langer aan de slag te blijven, bereik je hetzelfde effect als met de storting. En mogelijks heeft een storting dan geen zin meer. Gevolg: Je situatie dus zeker goed laten berekenen.
  5. En dit is een belangrijke : Veel mensen moeten door de verstrenging van de pensioenvoorwaarden (die eerder is ingevoerd) hoe dan ook een stuk langer werken. In de toekomst moeten velen minstens 42 of 43 jaren dienst hebben. Een storting heeft geen zin als ze zou meebrengen dat je pensioen hoger is dan 3/4 van het weddegemiddelde dat gebruikt is om je pensioen te berekenen. Opnieuw: eerst je situatie goed berekenen is de boodschap.
Opgelet: Wie een storting doet zonder een voordeel eruit te halen, is de centen ook kwijt. Goed tellen is dus van belang wil je net geen centen verliezen!

Heb je een concrete vraag over dit onderwerp? Stel ze hier.
We doen ons best om zo snel mogelijk te antwoorden.

Cumulatie pensioenen wegens lichamelijke ongeschiktheid en arbeidsinkomen fors versoepeld

Wie een pensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid ontvangt en dat pensioen cumuleert met beroepsinkomsten als werknemer of als zelfstandige mag voortaan ongeveer drie keer meer verdienen voor men pensioen verliest. Daarenboven wordt het mogelijke verlies sterk beperkt.  
Het arrest van het grondwettelijk hof van 14/07/2016 heeft de cumulatieregeling voor de pensioenen wegens lichamelijke ongeschiktheid grondig gewijzigd. Door het arrest gelden voortaan hogere cumulatiegrenzen voor alle gepensioneerden wegens lichamelijke ongeschiktheid.
Ze gelden retroactief vanaf 01/01/2013.
De grenzen liggen ongeveer drie keer hoger dan de grenzen die men voor het arrest hanteerde. 
In 2016 gelden de volgende hogere jaargrenzen: 
Aard van de beroepsactiviteit
Jaargrens van de beroepsinkomsten 2016.
Zonder kinderlast
Jaargrens van de beroepsinkomsten 2016 
Met kinderlast
Werknemer, ambtenaar, andere activiteiten, mandaten, ambten of posten€ 22 521,00€ 27 394,00
Zelfstandige, helper, gelijktijdige of opeenvolgende activiteiten€ 18 017,00€ 21 916,00

Tot en met 31 december 2017 kunnen pensioenen wegens lichamelijke ongeschiktheid, bij overschrijding van de cumulatiegrenzen, daarenboven maar met maximum 10 % of 20 % verminderd worden. Naargelang het pensioen lager of hoger is dan 3/4 van de wedde.
De dienst Betaling ambtenarenpensioenen werd de opdracht gegeven om het arrest met terugwerkende kracht uit te voeren tot 1 januari 2013. Een individuele aanvraag is niet nodig. 
Let wel:de versoepeling geldt niet voor het minimumpensioen.
Voor de uitbetaling van dat supplement blijven de veel strenger cumulatiegrenzen gelden.
De uitbetaling van het supplement gewaarborgd minimum wordt geschorst wanneer iemand een beroepsinkomsten heeft van meer dan € 977,25 euro per jaar.
Heb je een concrete vraag over dit onderwerp? Stel ze hier
We doen ons best om zo snel mogelijk te antwoorden. 

Voordelige pensioenbreuken

Nu is het zo 

dat een aantal personeelsgroepen een voordelige pensioenbreuk hebben. Dit is bijvoorbeeld het geval voor brandweerlieden die actief brand bestrijden, het operationeel korps van de politie, militairen van het actief kader, douaniers, VMW-personeel, postbodes, NMBS-personeel, in het onderwijs, ...
Dit betekent dat men voor de berekening van het pensioen niet uit gaat van 1/60e per jaar (= algemeen principe), maar van 1/55e, 1/50e of 1/48e naar gelang het geval. Vroeger bestonden nog voordeliger pensioenbreuken (1/30, 1/20, enz.) maar die zijn 1.1.2012 door de regering Di Rupo teruggebracht tot 1/48e.

De regering heeft beslist 

dat de bestaande regeling in de loop van 2017 wordt vervangen door een nieuwe regeling die uit gaat van de valorisatie van zware beroepen.
Op dit ogenblik weet niemand hoe de kwestie van de zware beroepen zal worden geregeld. 

Onze mening

Het is cruciaal dat de zware beroepen vooraf en behoorlijk worden geregeld. De pensioenbreuken zomaar afschaffen ware onaanvaardbaar. 

In het nationaal pensioencomité (NPC) hebben wij daarom voorstellen neergelegd. Het risico bestaat dat de regering bij haar volgende begrotingsopmaak in juli (begroting 2017) gewoon een te kleine enveloppe voorziet voor het valoriseren van de zware beroepen. Ze moet immers ook geld vinden om zware beroepen te valoriseren in de privé sectoren.

Daarom willen we dat het dossier zware beroepen voor het groot verlof uitgeklaard wordt voor de openbare sector. Een dossier dat klaar is en waar de minister zich op engageert, heeft veel meer kansen om het politiek te halen binnen de regering dan een brute begrotingsdiscussie.

In de kwestie zware beroepen is het niet alleen zaak van verworven rechten. We denken dat de huidige regeling van voordelige pensioenbreuken billijker en eerlijker moet gemaakt worden. Personeel in de zorgsector bijvoorbeeld, of de mannen van de vuilkar, ... hebben geen valorisatie. Universiteitsprofessoren of magistraten dan weer wel.
Geef toe, er is wat ruimte voor een actualisatie. Maar ze moet wel op een behoorlijke manier gebeuren, niet louter vanuit budgettaire bekommernissen.

Naar aanleiding van de actie op 13 april jl. heeft de minister toegezegd dat hij het dossier voor het groot verlof voor de openbare sector wil klaar maken.

Hoeveel wil de regering met die maatregel besparen?

De minister van Pensioenen heeft naar aanleiding van de actie op 13 april jl. ook beloofd dat de operatie budgettair neutraal zal zijn. Maar uiteraard, met dit soort beloftes mogen we niet te snel geloven. We moeten ze wel voortdurend herhalen en de politiek er continu aan herinneren. 

Voor ons is het ook absoluut belangrijk dat de middelen die nu besteed worden voor de openbare sector ook binnen de openbare sector blijven.

Hoe wordt de kwestie nu verder aangepakt?

In de loop van de maand mei willen we in de commissie voor de openbare sector van het nationaal pensioencomité (NPC) tot een consensus proberen komen over de criteria die zullen worden gebruikt om uit te klaren wat onder zware beroepen moet worden verstaan. 
De NPC heeft de afgelopen maanden daarover hoorzittingen georganiseerd en de vakbonden hebben een voorstel neergelegd dat uit gaat van 4 criteria:
  • zwaar werk door lichamelijke belasting, het gebruik van gevaarlijke producten, ... enz.
  • door de werkorganisatie (bijvoorbeeld nachtarbeid, ploegenwerk,...)
  • door emotionele belasting
  • door veiligheidssituaties (denk maar aan politie,...).
Tegelijk hebben we de verschillende ministers gecontacteerd om na te gaan of zij achter de erkenning als zwaar beroep staan van het personeel waarvoor zij verantwoordelijk zijn. 

In de maand juni zal er in de NPC een discussie moeten zijn met de werkgevers van de private sector (VBO, Unizo,...) om te zien of er een interprofessionele consensus is over de criteria. Want de kwestie zware beroepen is iets dat van belang is voor alle werknemers.

Voor het komend begrotingsconclaaf van juli willen we voor de openbare sector ook uitklaren welke concrete beroepen worden erkend als zwaar beroep.


Wat zijn de gevolgen van de erkenning als zwaar beroep?

In theorie zijn er 3 mogelijkheden. De erkenning kan leiden tot:
  • een hoger pensioenbedrag
  • een vervroegd vertrek
  • een combinatie van beide.
Dit moet zeker nog worden uitgeklaard.

Bij de interne bespreking in onze instanties waren de vakbondsafgevaardigden er voorstander van om een vervroegd vertrek mogelijk te maken.

Zullen er overgangsmaatregelen zijn voor wie de gunstige pensioenbreuk verliest?

De regering heeft bevestigd dat er overgangsmaatregelen zullen zijn, maar daarover is er nog geen woord gesproken.

Heb je een concrete vraag over dit onderwerp? Stel ze hier
We doen ons best om zo snel mogelijk te antwoorden. 

Aanvullend pensioen voor contractueel overheidspersoneel

ACV-Openbare Diensten ijvert al vele jaren voor een aanvullend pensioen voor het contractueel overheidspersoneel.

Sinds 2006 zijn we tot 2 keer toe er bijna in geslaagd om zo'n regeling in een wet te gieten. Maar telkens gooide de vroegtijdige val van de regering roet in het eten.

Sindsdien hebben we de weg gevolgd van sectorale overeenkomsten.
Zo komt het dat voor het contractueel overheidspersoneel in Vlaanderen een vrijwillige regeling is tot stand gekomen. Ook voor het federaal gefinancierd personeel van de zorgsector zijn op basis van sociale akkoorden fondsen opzij gelegd voor een aanvullend pensioen.


Nu kondigt de regering weer aan werk te zullen maken van de kwestie.

De uitwerking van zo'n wet is een technisch vrij ingewikkelde kwestie. Maar na 2 pogingen weten we meteen waar de klepel hangt. Deze keer hebben we wel als nadeel dat de huidige minister Bacquelaine een erg sterke liberale ingesteldheid heeft. Hij vindt bijvoorbeeld dat mensen zelf moeten bijdragen aan zo'n aanvullend pensioen, terwijl we bij discussies in het verleden er telkens voor konden zorgen dat de overheid de financiële kost ten laste nam.

De minister van Pensioenen heeft ons aangekondigd dat hij een enveloppe heeft om een regeling uit te werken met een bijdragevoet van ten minste 3% van het loon en een valorisatie van vroegere jaren

Over het gehele zal uiteraard wel nog stevig onderhandeld moeten worden.

Ter vergelijking: de bestaande regeling voor contractueel personeel bij lokale besturen in Vlaanderen komt voor het ogenblik overeen met een bijdrage van gemiddeld 1,7%.

Opgelet:
de federale overheid voorziet die enveloppe enkel voor haar contractueel personeel. Dit wil zeggen dat andere overheden ook middelen zullen moeten ophoesten voor een aanvullend pensioen. Zo niet wordt de ganse kwestie een pure verarming voor de betrokken contractuelen. Op het niveau van de sectoren valt er dus ook stevig werk te verrichten.

Onze mening

Het zou een goede zaak zijn mochten we de kwestie van het aanvullend pensioen nu eens echt kunnen regelen. Het is iets waar we nu al meer dan 10 jaar voor ijveren. 

Veel hangt af van de modaliteiten. Die moeten nog onderhandeld worden. 

Een aanvullend pensioen met een bijdrage van 3% van het loon is niet voldoende om van een volwaardige regeling te kunnen spreken.Tegelijk moet geld worden voorzien op het niveau van alle overheden.

Heb je een concrete vraag over dit onderwerp? Stel ze hier
We doen ons best om zo snel mogelijk te antwoorden. 

Gemengd pensioen voor contractueel overheidspersoneel

Nu is het zo 

dat een voor contractueel personeelslid dat na verloop van tijd benoemd wordt, de jaren als contractueel meegeteld worden voor het overheidspensioen.

De regering wil dit afschaffen voor wie benoemd is na 9 oktober 2014

(behalve voor de tijdelijk statutairen; wat vooral voor het onderwijs van belang is)

De regering heeft op 27 mei jl. een wetsontwerp uitgewerkt dat de maatregel concreet maakt. Contractuelen van wie de benoeming gebeurde na 9 oktober 2014 (dit is de datum van het tot stand komen van het regeerakkoord) worden het slachtoffer van de maatregel.

Wat zijn de gevolgen?

De maatregel heeft zware financiële gevolgen voor wie als contractueel na 9 oktober 2014 is benoemd. De betrokkenen kunnen hierdoor honderden euro’s pensioen verliezen.
Een paar voorbeelden:

1. Anne, Verpleegster, heeft normaal een netto pensioen van € 1760,76 als ze in 2043 63 jaar zal zijn.
Gevolg door het systeem van het gemengd pensioen (in de veronderstelling dat ze 20 jaar als contractueel heeft gewerkt)  € -568,68

2. Saar, Juriste, heeft normaal een netto pensioen van € 2022,71 als ze in 2044 64 jaar zal zijn.
Gevolg door het systeem van het gemengd pensioen (in de veronderstelling dat ze 20 jaar als contractueel heeft gewerkt)  

Van de pensioenen die werden toegekend in 2013, bestond een aanzienlijk deel van de prestaties uit tijdelijke diensten. In 2013 ging het gemiddeld om 10,58% van de loopbaan of 45,86 maanden.
Opvallend is de ongelijke verdeling van de tijdelijke diensten. Tijdelijke diensten komen veel meer voor in de loopbanen van vrouwen. In de administratie laten vrouwen de helft meer tijdelijke diensten optekenen.
Daarenboven komen tijdelijke diensten ook drie maal meer voor in de niveaus C en D.

Tijdelijke diensten zorgen voor gemiddeld 253,57 euro pensioen per maand. Er van uitgaande dat een werknemerspensioen een derde lager is, zorgt het niet meer meetellen van de tijdelijke diensten voor een verlies van 84,5 euro per maand voor het gemiddeld pensioen. Heel wat overheidspersoneel wordt soms pas na meerdere jaren benoemd. Voor hen bedraagt het verlies een veelvoud van het gemiddelde bedrag.

Door de maatregel zal het contractueel personeelslid dat na verloop van tijd vast benoemd wordt 3 pensioenen krijgen (ipv. nu één)
  • voor de periode van de vaste benoeming: het overheidspensioen
  • voor de periode als contractueel: een werknemerspensioen
  • voor een deel van de periode als contractueel: een eventueel aanvullend pensioen (waar het bestaat).

Onze mening

We hebben ons altijd al verzet tegen die maatregel, om de eenvoudige reden dat hij een zware financiële impact heeft voor de betrokken personeelsleden.  Wanneer contractuele diensten niet aanneembaar zijn in het overheidsstelsel komt dit voor een groot deel van het personeel neer op een duidelijke verarming. Zij ontvangen voor die periode voortaan een veel te laag werknemerspensioen. Voor wie (in de toekomst) een aanvullend pensioen heeft zal dit deels gecompenseerd worden, maar wie geen aanvullend pensioen krijgt, verliest alleen maar.

Het argument dat men vroeger gebruikte, nl. dat er soms erg late benoemingen gebeuren, is hoe dan ook achterhaald, want dit komt vandaag niet meer voor en besturen zijn al meerdere jaren financieel geresponsabiliseerd. 

Door de maatregel zullen ambtenaren die op hetzelfde ogenblik beginnen werken en op pensioen gaan, een verschillend pensioen krijgen naargelang het tijdstip van hun benoeming.

Daarenboven verschilt het gebruik van tijdelijke diensten sterk van sector tot sector. Bij het operationeel korps van de politie wordt na de opleiding onmiddellijk benoemd, tegenover de lokale besturen waar voorafgaande tijdelijke diensten de regel zijn. In de lokale besturen wordt slechts één derde van het personeel benoemd. Bij sommige overheden wordt ook in golven benoemd. De bestaande regeling zorgt er voor dat het personeel hiervan niet de dupe wordt.

Het gemengd pensioen geldt met terugwerkende kracht vanaf 9 oktober 2014.
Dit is in strijd met alle publieke aankondigingen van politici als zouden de pensioenen niet dalen!

Over het beloofde aanvullende pensioen voor werknemers in de openbare sector heeft de regering nog niets beslist. Eerder had ze een aanvullend pensioen als een compensatie voor het gemengd pensioen naar voor geschoven.

De regeringsmaatregel komt er eigenlijk op neer dat de federale overheid een pensioenkost afstoot en de lasten daarvoor bij andere overheden legt (die fors middelen moeten voorzien om een aanvullend pensioen op te bouwen), met het personeel als slachtoffer.
Hoe dan ook moet er voor ons werk worden gemaakt van een aanvullend pensioen voor het contractueel overheidspersoneel. 
De regering kondigt nu aan dat dit in de loop van 2017 zou gebeuren. 
Dit moet wat ons betreft een behoorlijke regeling zijn. . De door de federale overheid voor haar personeel beloofde 3% volstaat hiervoor lang niet. We willen komen tot 6%.
De afschaffing van de in aanmerking neming zonder dat dit effectief op punt staat ware er helemaal over. 

Waar staat men met de procedure?

De ministerraad heeft een wetsontwerp goedgekeurd op 27 mei jl.

Er is een eerste keer syndicaal overleg geweest over het wetsontwerp. We hebben onze kritiek daarbij ingebracht.
Na de nodige discussie werd afgesproken dat het gemend pensioen even de koelkast ingaat. De komende maanden wordt eerst gewerkt aan een wettelijk kader voor een aanvullend pensioen voor contractuelen. Die regeling zal dan één geheel vormen met het gemengd pensioen. Zo willen we voorkomen dat het om een louter negatieve maatregel gaat en willen we er tegelijk voor zorgen dat alle contractuele personeelsleden in de openbare sector een behoorlijk aanvullend pensioen krijgen.

In september wordt het syndicaal overleg verdergezet.

Heb je een concrete vraag over dit onderwerp? Stel ze hier
We doen ons best om zo snel mogelijk te antwoorden. 

Wordt pensioen bij lichamelijke ongeschiktheid afgeschaft?

Nu is het zo 

dat personeelsleden die definitief lichamelijk ongeschikt zijn en wier ziektekrediet is uitgeput, vervroegd op pensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid kunnen worden geplaatst.
De beslissing hierover gebeurt op basis van de zogenaamde pensioencommissie bij Medex (de controledienst bij ziekte).

De regering heeft beslist 

dat de minister van Ambtenarenzaken en de minister van Pensioenen die problematiek moeten analyseren en een voorstel tot hervorming moeten uitwerken. Zij moeten dit doen tegen oktober 2016.

Onze mening

De kwestie van het pensioen voor lichamelijke ongeschiktheid is een technisch ingewikkelde materie die mensen treft die in vaak in moeilijke sociale omstandigheden verkeren. 

In het verleden hebben we daarom meermaals besprekingen gehad om de mogelijkheden tot wedertewerkstelling te versterken. Immers als mensen relatief vroeg op pensioen worden gesteld krijgen zij vaak een erg klein pensioentje en moeten zij vaak opgevangen worden door de minimumregelingen. Die vroegere besprekingen hebben niet echt tot afdoende resultaten geleid. Het is zeer de vraag of dit nu wel het geval zal zijn.

Vermits het hier in de eerste plaats gaat om sociaal problematische situaties zou men een eerlijk debat ten gronde moeten kunnen voeren. Maar is deze regering daartoe in staat? Het anderhalf jaar dat ze aan de macht is, hebben we daar nog niet veel van gezien.

Wat is de bedoeling van de regering?

Minister Vandeput (ambtenarenzaken) wil de betrokkenen eigenlijk gewoon in dezelfde regeling brengen als het algemeen werknemersstelsel (RIZIV-regeling). Op die manier komen zij ook onder de regels van verscherpte controle en reïntegratie.

Hoe wordt die kwestie aangepakt?

  • De federale regering zal tegen oktober 2016 een voorstel uitwerken.
  • Voordien zal er overleg zijn met de deelstaten en de lokale besturen.
  • Er zal ook overleg zijn met de vakbonden, maar wanneer en op basis waarvan is nog niet bekend.

Waarom is deze kwestie zo complex?

In de eerste plaats omdat het om situaties gaat die men niet met één pennentrek kan regelen. Het gaat om mensen die door allerlei omstandigheden lichamelijk ongeschikt zijn om hun job nog uit te oefenen.
Daarnaast zijn er heel wat technische aspecten op het vlak van:
  • de financiering van de sociale zekerheid 
  • de wedertewerkstelling (waarvoor er in de praktijk meestal geen jobs beschikbaar zijn)
  • de verantwoordelijkheid van de verschillende werkgevers
  • de juiste uitkering die de betrokkenen krijgen
  • de administratiekosten 
  • de wijzigingen die in de verschillende personeelsstatuten moeten gebeuren
Heb je een concrete vraag over dit onderwerp? Stel ze hier
We doen ons best om zo snel mogelijk te antwoorden. 

Militaire dienst telt ook mee voor werknemers en zelfstandigen

Nu is het zo 

dat militaire dienst ​en burgerdienst in aanmerking worden genomen voor het overheidspensioen. 
Dit is een verschil met de werknemersregeling en de situatie van zelfstandigen.

De regering heeft beslist 

dat vanaf 1.7.2017 periodes van militaire dienst en burgerdienst voor zelfstandigen en werknemers ook in rekening komen voor het pensioen, zoals dit vandaag het geval is voor het overheidspersoneel.
In dit geval is het dus een harmonisering in de richting van de situatie van het overheidspersoneel. In de andere situaties met vaak grotere effecten gaat het om harmonisering naar beneden.

Heb je een concrete vraag over dit onderwerp? Stel ze hier
We doen ons best om zo snel mogelijk te antwoorden. 

Ga ik best zo snel mogelijk met pensioen om negatieve maatregelen te voorkomen?

Bij de vorige hervormingen hebben we steeds kunnen bekomen dat langer werken geen nadeel zou vormen ondanks de wijziging van de wetgeving. Dus iemand die toch langer werkte kon op die manier nooit een nadeel hebben.

Met de nieuwe maatregelen zijn we voorlopig een stuk voorzichtiger. Want deze keer gaat het niet meer om langer werken, wel om minder pensioen! 

Zo is het technisch best mogelijk dat wie langer werkt bijvoorbeeld een nadeel ondervindt doordat bijvoorbeeld de diplomabonificatie niet meer volledig in aanmerking komt. Dus voorzichtigheid is geboden.

Tegelijk zijn alle elementen nog niet gekend. Maar we gaan er van uit dat we relatief snel toch wel zicht zullen hebben op de verschillende maatregelen en de mogelijke risico's.

Daarom raden we mensen aan nu geen onverhoedse beslissingen te nemen door holder de bolder sneller hun pensioen aan te vragen. Van zodra we een risico op een mogelijk nadeel vaststellen, zullen we daarover duidelijk communiceren aan onze leden, zodat ze tijdig de nodige schikkingen kunnen nemen.


Heb je een concrete vraag over dit onderwerp? Stel ze hier
We doen ons best om zo snel mogelijk te antwoorden. 

Recht op overheidspensioen opent na 1 jaar

Nu is het zo 

dat het recht op een overheidspensioen pas na 5 jaar wordt geopend.

De regering heeft beslist 

dat die 5 jaar op 1 jaar zou worden gebracht.

Onze mening

De maatregel op zich is uiteraard OK.
Heb je een concrete vraag over dit onderwerp? Stel ze hier
We doen ons best om zo snel mogelijk te antwoorden. 

Vervroegde uitstapregelingen

Nu 

bestaan er een beperkt aantal regelingen van vervroegde uitstap. Dit is bijvoorbeeld het geval voor:
  • het operationeel personeel van de politie
  • de gevangenissen
  • de civiele bescherming
  • de brandweer 

De regering heeft beslist 

dat die regelingen zouden worden aangepast op basis van de strengere voorwaarden die in de private sector gelden voor het individueel brugpensioen.

Dit komt erop neer dat vervroegde uitstap maar mogelijk is vanaf 62 jaar en met 40 jaar beroepservaring voor mannen / 31 jaar voor vrouwen.

Naar aanleiding van de actie op 13 april jl. heeft de minister wel toegezegd dat sociale akkoorden zullen worden gerespecteerd. De regering heeft dit ook bevestigd.

Hoe dan ook heeft ACV-Openbare Diensten met de verschillende direct betrokken ministers contact opgenomen om voor ieder van de bestaande situaties de bevestiging te krijgen dat dit inderdaad het geval zal zijn.

Heb je een concrete vraag over dit onderwerp? Stel ze hier
We doen ons best om zo snel mogelijk te antwoorden. 

Vervroegd pensioen na 365 ziektedagen boven 60 jaar

Nu is het zo

dat wie meer dan 365 dagen ziek is nadat men 60 jaar is geworden, automatisch op pensioen wordt gezet.

De regering heeft beslist 

deze regel aan te passen aan het optrekken van de leeftijd voor vervroegd pensioen.Vanaf 1.7.2016 zou iemand die meer dan 365 dagen ziek is maar vanaf de leeftijd van 62 jaar verplicht op pensioen worden gesteld. Vanaf 1.1.2018 wordt dit 63 jaar.

Onze mening

Als de vorige regering de leeftijd voor het vervroegd pensioen heeft gewijzigd had ze in die situaties de leeftijd van 60 jaar laten staan. De huidige regering heeft dit ook zo behouden bij de eerste golf van wijzigingen vorig jaar.
De maatregel was in 1978 ingevoerd uit besparingsoverwegingen. Men wou op die manier de uitgaven op de loonkosten verminderen door mensen op pensioen te stellen.
Die maatregel hangt natuurlijk samen met de regeringsplannen over het ziektekrediet, die er helemaal over zijn.
De regering voorziet de inwerkingtreding van de aanpassing vanaf 1.7.2016. Ze voorziet geen overgangsmaatregelen en doet de sprong van 60 jaar naar 62 jaar in één keer. Logisch is dit allerminst. In 2018 dan naar 63 jaar springen is er toch ook flink over.

Heb je een concrete vraag over dit onderwerp? Stel ze hier
We doen ons best om zo snel mogelijk te antwoorden. 

Ziekteregeling voor federale ambtenaren

Naast de mogelijke aanpassing van het pensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid, wil de federale regering voor haar personeel ook de regeling van het ziektekrediet (incl. regeling dispo) stopzetten.
Dit houdt tegelijk de afschaffing in van het syteem van de opbouw van de ziektedagen.


Wat wil de regering concreet doen?

We hebben het kabinet van minister Vandeput ondervraagd over hun intenties.
De minister is zinnens om voor het federaal overheidspersoneel de huidige regeling van het ziektekrediet gewoon stop te zetten. Volgens de verklaringen van de de kabinetschef van de minister zou één maand gewaarborgd loon in een jaar in de plaats komen.

Onze mening

Eens te meer blijkt de ideologisch opgevatte aanpak van minister Vandeput. Men gaat helemaal niet uit van bekommernissen rond een behoorlijke opvang van mensen die ziek zijn. Wat moet bijvoorbeeld iemand met een kanker met een maand gewaarborgd loon? Hetzelfde voor iemand met een hartaandoening? ... De hardvochtigheid van de minister is hier echt ontluisterend. Want zijn voorstel is zelfs minder dan de huidige regeling die geldt voor werknemers in de privé sector.

In het jongste verslag van de controledienst Medex heeft het kabinet moeten vaststellen dat er omzeggens geen misbruiken zijn van de huidige regeling. Dit is zo zeer het geval dat de minister heeft aangekondigd dat het aantal controles wordt verminderd.

En dan toch de ziekteregeling gewoon afschaffen, getuigt van een manifeste en onbegrijpelijke vooringenomenheid.

Blijft het bij federale ambtenaren?

De federale regering is alleen bevoegd voor haar eigen personeel. De ziekteregeling van overheidspersoneel verschilt van de ene overheid naar de andere. Dus personeelsleden van andere overheden (lokale besturen, Vlaamse overheid, ...) zullen er wel geen weerslag van hebben. Dit is een strikt juridische benadering, waar we toch erg argwanend tegenover staan. Als de federale overheid de sociaal zekerheidswetgeving aanpast om een totale afschaffing van het ziektekrediet mogelijk te maken, mogen we niet uitsluiten dat andere overheden daar ook gebruik van maken. Dus we hebben er belang bij van deze materie te volgen voor het geheel van de overheidssector.

Hoe zal de federale regering dit aanpakken?

Minister Vandeput zal tegen de maand oktober een dossier uitwerken voor de ministerraad. Er zal daarover vooraf overleg zijn met de andere overheden. En er komt ook sociaal overleg.
Net zoals de pensioenen wordt dit dus een dossier waarover we vele maanden bezig zullen zijn en die ongetwijfeld veel syndicale energie zal vergen. 
  
Heb je een concrete vraag over dit onderwerp? Stel ze hier
We doen ons best om zo snel mogelijk te antwoorden.