Aanvullend pensioen in laatste rechte lijn?



Vandaag hebben we met de federale regering de opstart van het aanvullend pensioen voor contractuelen bij de federale overheid besproken. Het principe van zo’n regeling hebben we al bekomen in juni vorig jaar. Maar het heeft lang geduurd vooraleer de nodige wettelijke basis is uitgevaardigd. Nu zitten we in de fase van de concrete uitwerking.

21.000 betrokkenen
We hebben het even uitgeteld: er zijn ongeveer 21.000 contractuele personeelsleden die afhangen van de federale overheid. Met dat laatste bedoelen we niet alleen de ‘ministeries’ (FOD’s) of de sociale parastatalen. Ook contractuelen bij federale wetenschappelijke instellingen, bij hoven en rechtbanken, bij de politie, of tewerkgesteld bij een reeks specifieke instellingen (zoals het Nationaal Orkest van België of het Paleis voor Schone Kunsten) moeten wat ons betreft van de regeling genieten.  

De regering is het met ons eens: de regeling slaat best op een zo ruim mogelijk toepassingsveld, zodat er binnen de federale administratie geen achtergestelde groepen contractuelen zijn. 

Welk voordeel? 
De regering heeft 32 miljoen euro per jaar uitgetrokken voor de regeling. Daarmee wil men een aanvullend pensioen financieren van ten minste 3% van het loon. Voor ieder contractueel personeelslid zal de overheid dus als werkgever een bijdrage van 3 % van het loon opzij zetten om een aanvullend pensioen te financieren. De grootte van het uiteindelijke voordeel zal uiteraard afhangen van het aantal jaren die je als contractueel personeelslid op de teller zal hebben.

Als basis van het loon worden vakantiegeld, eindejaarspremie en haard- of standplaatstoelage meegeteld. Andere premies niet.  

Als we zelf een schatting maken van het gemiddeld loon voor een contractueel personeelslid, dan zijn we ervan overtuigd dat de 32 miljoen euro het mogelijk maakt om een voordeel te financieren dat groter is dan die 3%. Daarom hebben we aan de regering gevraagd om voor de toekomst te voorzien in een groeipad. 4% vanaf 2019, zelfs 5% vanaf 2020 moet volgens ons mogelijk zijn binnen het voorziene budget. 
Ons uiteindelijk doel is dat de regeling stapsgewijs wordt verbeterd tot een volwaardig aanvullend pensioen van 6%. 

De regering zal dat rekenwerk nu opnieuw doen. Uiteraard zal zij binnen het budget van 32 miljoen euro blijven. En als er meer personeelsleden betrokken zijn, moet ‘de koek’ onder meer mensen worden verdeeld. Maar het minimum van 3% is wel gegarandeerd. De vraag is of de regering bereid zal zijn om een percentage voor 2019 en 2020 vast te leggen. In mei volgend jaar zijn er verkiezingen en nadien komt er een nieuwe regering. Het is mogelijk dat ze die regering nog niet wil verbinden. Maar ons signaal is wel duidelijk: de komende jaren moet de 3% omhoog. 

Wanneer gaat de regeling in? 
De regeling zal ingaan vanaf 1 januari 2019. Maar wie op dat ogenblik in dienst is, zal ook voor tewerkstelling vanaf 1 januari 2017 het aanvullend voordeel krijgen. De regeling werkt dus met terugwerkende kracht. 

Contractuelen zijn vaak maar voor een beperkte tijd tewerkgesteld. Toch hebben we gevraagd om een deel van het budget te gebruiken voor wie al voor 2017 in dienst was. We hebben voorgesteld om een eenmalige betaling te voorzien voor de jaren uit het verleden. Het zou volgens ons het eerlijkst zijn als iemand die langer in dienst is een groter voordeel zou krijgen. Dat is een punt waar de regering zich nog over moet uitspreken. Veel zal afhangen van de budgettaire ruimte die over blijft.
Wat als ik nadien elders ga werken? 

Mensen werken niet hun ganse leven bij dezelfde werkgever. Zeker niet als je contractueel bent. Het opgebouwde voordeel is gegarandeerd. Je zal het dus niet verliezen als je aan de slag gaat bij een andere werkgever. Verlaat je de federale overheid dan zal die uiteraard geen bijkomende stortingen doen. Daarvoor ben je dus afhankelijk van de situatie bij je nieuwe werkgever. 

Wanneer ervan genieten?
De overheid stelt voor dat je pas vanaf de leeftijd van 67 jaar het pensioenvoordeel zou kunnen opnemen. Dat is uiteraard niet aanvaardbaar. Het aanvullend voordeel moet je kunnen genieten vanaf het moment dat je je pensioen krijgt. Dat is uiterlijk als je de wettelijke pensioenleeftijd bereikt.

Wat moet er nog gebeuren?
Binnen de regering moet nog een laatste check gebeuren, moet alles nog worden nagerekend en enkele knopen doorgehakt. Het beloven stevige politieke discussies te worden. Een discussiepunt is bijvoorbeeld of een verzekeringsmaatschappij zal worden ingeschakeld of een apart pensioenfonds wordt opgericht waarmee de overheid het stelsel zelf beheert. 

Voor ons is het duidelijk: een verzekeraar inschakelen is relatief eenvoudig. Dat vergt een Europese aanbesteding. Maar uiteindelijk is dat een kwestie van enkele weken. 

Een pensioenfonds oprichten zal heel wat voeten in de aarde hebben. Dat vergt meerdere aanbestedingen, consultants zullen reglementen en statuten moeten uitschrijven, specifieke goedkeuringsprocedures moeten worden gevolgd, … Kortom, dan zijn we vertrokken voor vele maanden. Met de verkiezingen voor de boeg belooft dat weinig goeds. Hoe zal men in die periode tot beslissingen komen? 

Van onze kant willen we op zekerheid spelen. Het aanvullend pensioen moet er onder deze legislatuur en zelfs best tegen de jaarwisseling komen. Daarom vragen we aan de regering om de snelste weg te bewandelen. Dat is die met een verzekeraar. 

We verwachten nu van de minister van pensioenen dat hij het dossier in de loop van de komende weken formeel op de regeringstafel brengt. De contractuelen bij de federale overheid hebben wat ons betreft nu lang genoeg gewacht. De gemaakte afspraken moeten nu uitgevoerd worden.