Ambtenarenstatuut op de helling

Met het ambtenarenstatuut op de helling, blikken we terug naar het moment waarop de regering het destijds wél belangrijk vond een statuut op te stellen.



Het begrip ambtenaar
De taak van de verschillende openbare diensten, wordt uitgeoefend door personen die in dienst van de overheid werken. Statutaire ambtenaren genieten een 201720174betere bescherming tegen (onder andere) ontslag omdat de federale overheid als werkgever tegelijkertijd ook wetgever is, en de werknemer daardoor kwetsbaarder is.
De band tussen overheid en haar personeelsleden
In het privaatrecht is de rechtspositie tussen werkgever en personeel van contractuele aard, via een arbeidsovereenkomst dus. Volgens het Belgisch recht bevinden personeelsleden van de overheid zich in een wettelijke toestand, die door de overheid eenzijdig is vastgelegd en ook eenzijdig kan worden gewijzigd, naargelang het belang van de dienst. 
Daarbij kan het personeelslid geen recht op behoud van zijn statuut en de voordelen die dat voor hem meebrengt, inroepen. Uiteraard moet er wel onderhandeling en overleg zijn met de vakorganisaties vooraleer de overheid bepaalde wijzigingen in het statuut kan aanbrengen.
Dit onderscheid is belangrijk, want indien het privaatrecht wordt toegepast, zou dat betekenen dat een personeelslid een schadevergoeding kan eisen mocht de overheid eenzijdig de rechtstoestand (wedde, loopbaanvoordelen, verplichtingen ten opzichte van de dienst) van het betrokken personeelslid wijzigen. Het overheidspersoneel werkt daarom in statutair verband, wat betekent dat de rechstoestand van een ambtenaar wordt vastgelegd door een regeling die de overheid op ieder ogenblik kan wijzigen, zonder dat de ambtenaar recht op het behoud ervan of toekennen van enige schadevergoeding kan inroepen.
Aanwerving
Geen enkele burger mag uitgesloten worden van een openbaar ambt. Wel mogen objectieve en niet-persoonlijke bekwaamheidsvereisten (diploma, leeftijd ...) gelden. Het uitsluiten van personen van een bepaald geslacht of van een bepaalde leeftijd is slechts mogelijk als de aard van de uit te oefenen functies dit vereist.
Ook kan niemand worden verplicht in dienst van de overheid te treden. Elke benoeming moet worden voorafgegaan door een kandidatuur of worden gevolgd door een aanvaarding, die kan blijken uit de indiensttreding of de eedaflegging.
Beginselen voor de oorsprong van het statuut: gelijkheid, depolitisering … 
Het beginsel der gelijkheid van alle burgers over de benoembaarheid tot een publiek ambt vindt zijn oorsprong in de Verklaring van de rechten van de Mens en de Burger van 1 augustus 1789. Het betekende een mijlpaal in de geschiedenis, want tot dan toe werden de openbare functies door de aristocratie waargenomen. In de praktijk bleef de sociale herkomst wel degelijk nog lange tijd een rol spelen en dat gedurende de ganse 19de eeuw.
Behoren tot een bepaalde “sociale stand” in de 18de eeuw en lid zijn van een “politieke partij” in de 20ste eeuw als eventuele vereiste voor de toegang tot het Openbaar Ambt bleek ook toen nog schering en inslag te zijn.
Het onderwerp kwam weer in de actualiteit in 1973, de toenmalige Staatssecretaris voor Openbaar Ambt haalde het aan: “iedereen weet dat jaarlijks enkele duizenden tijdelijke en contractuele personeelsleden, vaak op grond van een louter politieke aanbeveling zonder examen, in de administratie binnen geraken. Ik verklaar U onomwonden dat het mijn bedoeling is, en die van de ganse regering, om daaraan definitief een einde te maken door het nemen van een reeks maatregelen”.
De hoofdbedoeling van die beschikkingen was de politieke kleur van de kandidaat voor een Publiek Ambt uit te schakelen als criterium bij de aanwervingsbeslissing. Daarom zou het Vast Wervingssecretariaat steeds als een onafhankelijk orgaan optreden tussen de kandidaat en de benoemende overheid. Het selecteert de kandidaten volgens statutaire regelen en de benoemende overheid is door die selectie gebonden. Het komt erop aan de meest geschikte kandidaat te verkiezen boven degene die het diepst politieke wortel schiet. 
Louis Camu 
Voordat in de jaren '30 een Koninklijke Commissaris, L. Camu, belast werd met de administratieve hervorming, bestonden er allerlei regels voor de organisatie van de openbare diensten. De Koninklijke Commissaris wilde een uniform statuut voor het Rijkspersoneel, vooral voor de loopbaan en bescherming van de ambtenaren. Al deze zaken waren slechts beperkt geregeld en hingen vaak af van de willekeur van de Minister.
Daarom is het statuut van het Rijkspersoneel een zeer belangrijk document, zowel voor de ambtenaar als voor de burger. De ambtenaar beschouwt het als een soort “Grondwet van de ambtenaar”, waarin zijn rechten en plichten netjes staan opgetekend, terwijl de burger zich beschermd weet door het criterium van het belang van de dienst, dat de hele basistekst inspireert. Voor L. Camu was het een charter van de openbare diensten.