Onderhandelingscomité evaluatie en functiebeschrijvingen

Dossier Evaluatie
Het statuut voorziet een tweejaarlijkse evaluatie indien voldoende, en een jaarlijkse bij een onvoldoende. Het statuut voorziet ook een gans traject in de evaluatie met functiegesprekken, functioneringsgesprekken en een evaluatiegesprek. Bovendien moet de evaluatie gebeuren volgens een welbepaald schema. De scores kunnen "onvoldoende", "voldoende" of "te verbeteren" zijn en alle mogelijke modaliteiten om te verweren als je niet akkoord bent, zijn voorzien. Dit tot en met een beroepskamer los van de zone. Over dat laatste werd eerder al onderhandeld.

Omdat evaluatie een belangrijk element is voor de loopbaanopbouw, werd er grondig gewerkt aan het evaluatieschema alsook aan de omkadering hiervan. Beide waren onderwerp van het onderhandelingscomité in volgende zin:
  • In een koninklijk besluit werd het schema vastgelegd en werden de aanvankelijke timings voor de eerste evaluatie volgens dit systeem wat verschoven. Het is immers van cruciaal belang dat de nodige informatie en opleiding vooraf gaat aan de effectieve evaluatie. Bovendien wordt de mogelijkheid van een tweede evaluator voorzien.
  • In een omzendbrief wordt duidelijker toegelicht wat de doelstelling is en welk tijdschema zones moeten volgen. Door toch een tijdsschema te voorzien in een omzendbrief, zullen de zones echter niet kunnen uitstellen, want uitstel is afstel. Ze zullen dus zo snel als mogelijk moeten anticiperen door infosessies te voorzien en mensen op opleiding te sturen. Uiteraard rekenen we ook op onze afgevaardigden om ze hierop attent te maken. Aan de omzendbrief wordt bovendien een competentiewoordenboek toegevoegd, waarin beschreven wordt hoe je de competenties op het evaluatieschema moet lezen, en in functie van de graad moet evalueren. Bovendien werden ook modellen van functiegesprek en functioneringsgesprek toegevoegd. 
    De omzendbrief voorziet ook op vraag van ACV Brandweer dat de toelichting over evaluatie en de doelstelling mee moet worden opgenomen in de omzendbrief en dat het feit dat personeelsleden verschillende functies uitoefenen niet nadelig mag zijn bij een evaluatie. Rond de vaktechnische competenties (fysieke paraatheid, accreditatie voor het dragen van adembescherming, voortgezette opleiding…) kan tot slot maar geoordeeld worden als de zone daarrond een beleid heeft uitgewerkt.
Voor ons waren volgende elementen nog belangrijk in de discussie:
  • Het competentiewoordenboek is per definitie een deel van het evaluatieschema. 
  • Een tweede evaluator kan niet de bedoeling hebben om een goede evaluatie te ondergraven tot een onvoldoende.
Aan deze laatste  bemerkingen wordt als volgt tegemoet gekomen:
  • Omdat het schema en het competentiewoordenboek zo belangrijk zijn als geheel, zullen ook wijzigingen aan de omzendbrief, en dus mogelijks aan het competentiewoordenboek, steeds voorgelegd worden aan het onderhandelingscomité. De omzendbrief wordt op die manier dan ook onderhandelingsmaterie. Dit belet de lange procedure van een koninklijk besluit dat aan de ministerraad moet worden voorgelegd, maar geeft tegelijk de garantie dat we betrokken blijven.
  • Een tweede evaluator is niet perse nodig, maar kan worden toegekend, hetzij wanneer betrokkene erom vraagt, hetzij wanneer de eerste evaluator zich wenst te laten bijstaan. Bovendien moet het steeds om mensen gaan die functioneel meerdere zijn en de praktijk kennen (dus niet zomaar iemand uit de hiërarchische lijn). Ook in de opleiding zal dit nog meer verduidelijkt worden. 

Dossier Functiebeschrijvingen
Het statuut voorziet dat de functiebeschrijvingen moeten worden vastgelegd in een ministerieel besluit. Dat betekent dat er een tekst werd opgemaakt met een dertigtal bijlagen met de nodige functiebeschrijvingen voor zowel de generieke graden als meer vaktechnische functies als voor technisch of administratief gerichte taken. Los van punctuele bemerkingen in de fiches, bleven volgende punten, waarop we positieve respons kregen, toch wel van belang:
  • Er blijkt nog onduidelijkheid over het begrip ‘officier van wacht’. Het spreekt voor zich dat dit impact heeft op de invulling daarvan (wie?). Hierover werd nog duidelijkheid gevraagd, maar men gaf sterk aan dat dit een taak voor een officier is.
  • Er bestond in de teksten nog een lacune voor de "ambulancier – niet brandweerman" en de "coördinator ambulancier - niet brandweerman". Deze lacune ging men wegwerken zodat er ook duidelijkheid bestaat voor deze mensen. Voor wat betreft de kerncompetenties betekent dit een gelijke benadering als respectievelijk brandweerman – korporaal.
  • Er zijn nog een aantal beschrijvingen van vaktechnische functies die niet vervat zitten in het besluit, hieraan wordt nog gewerkt en ook deze zullen nog worden voorgelegd.
  • De lijst is dus niet echt limitatief, maar dit betekent niet dat zones zelf kunnen aanvullen. Telkens een nieuwe functiebeschrijving nodig blijkt, zal deze voorgelegd worden aan het onderhandelingscomité. Het zijn dan ook deze fiches die in de zones te volgen zijn.
    Allicht ook een dossier in evolutie in functie van de hervorming civiele veiligheid. Het zal dus ook na de hervorming van de civiele met grote zekerheid weer op tafel komen.
Beide besluiten werden, weliswaar na pittige discussies, afgesloten met een protocol van akkoord, met de opmerkingen en opvolging hierboven aangehaald.