Ook een zwarte dag voor de pensioenen

Na de aankondiging van de ‘tax-misser’ werd op 23 juli ook de wet die de toegang tot het pensioen verstrengt, goedgekeurd in de Kamer. De huidige machthebbers kiezen voluit voor het doorschuiven van de rekeningen naar de gewone man en vrouw. Sociale afbraak heet zoiets.
De nieuwe hervorming heeft slechts één doel voor ogen: de pensioenuitgaven mogen niet verder stijgen, ondanks het feit dat er over 25 jaar de helft meer gepensioneerden zullen zijn. Daartoe moeten mensen nog meer verplicht worden om langer door te werken. 

Vervroegd pensioen

De overgangsregeling voor het vervroegd pensioen van de vorige pensioenhervorming loopt nog tot 2016. De nieuwe regering maakt nu de voorwaarden voor vervroegd pensioen tussen 2017 en 2019 nog een pak strenger. Vanaf 2019 zal vervroegd pensioen pas mogelijk zijn vanaf 63 jaar mits een loopbaan van 42 jaar. Zonder een loopbaan van 42 jaar kan men niet langer voor de wettelijke pensioenleeftijd met pensioen.

De regeling is bijzonder complex: wie z’n vroegste pensioendatum wil kennen dient een berekening te laten maken. De impact van de maatregel is niettemin enorm, in het bijzonder in de overheidssector. Bij de overheid bestaat immers geen brugpensioen. Het meeste overheidspersoneel zal pas vanaf 63 jaar met vervroegd pensioen kunnen gaan. Velen zullen nog langer moeten doorwerken.

De maatregel komt bovenop de reeds verschenen afschaffing van de diplomabonificatie voor het pensioenrecht van het hoger geschoold overheidspersoneel. Samen zorgen de maatregelen er voor dat hoger geschoolden die geboren zijn vanaf 1962 ten vroegste vanaf 63 jaar met vervroegd pensioen kunnen. 

Pensioenleeftijd

De regering verhoogt ook de wettelijke pensioenleeftijd tot 66 jaar in 2025 en 67 jaar in 2030. Vanaf de pensioenleeftijd kan iedereen met pensioen, ook wanneer men niet kan voldoen aan de voorwaarden voor vervroegd pensioen. Uit de analyses voor het werknemersstelsel van de commissie die de pensioenhervorming voorbereide, kunnen we afleiden dat minstens 15% van de mannen en 25% van de vrouwen vanaf 2030 zullen moeten blijven werken tot 67 jaar. Voor velen is werken tot 67 jaar echter onmogelijk. Zo weten we dat vandaag slechts de helft van wie geen diploma hoger onderwijs heeft, gezond blijft tot 65 jaar.

Haalbaar?

Een recent rapport van de SERV legt de vinger op de wonde: slechts 2/3e van de werknemers achten het haalbaar om hun job vol te houden tot de pensioenleeftijd. Belastende arbeidsomstandigheden, een te hoge werkdruk en een problematische relatie met de direct leidinggevende zorgen voor dat mager perspectief. En dan gaat het over wie nog een job heeft, want kansen voor ouderen op de arbeidsmarkt zijn er nauwelijks: in 2012 werd slechts bij 3% van de aanwervingen een 55-plusser uitverkoren. Ook andere kansengroepen komen momenteel veel te weinig aan de bak op onze arbeidsmarkt.

De regering heeft daar allemaal geen oren naar. Ze drukt de hervorming van de pensioenleeftijd door los van een arbeidsmarktbeleid, werkbaar werk en een regeling voor zware beroepen. Daarmee geeft ze de hefboom om te komen tot haalbare en werkelijk langere loopbanen uit handen. De besprekingen in het nationaal pensioencomité zijn bij voorbaat al gehypothekeerd. 

Kosten van de vergrijzing gehalveerd 

Men voorziet een toename van het aantal gepensioneerden met de helft tegen 2040. Desondanks verwacht de studiecommissie voor de vergrijzing dat louter de hervormingen die nu werden goedgekeurd - nog niet eens de helft van wat in het regeerakkoord staat - er voor zullen zorgen dat de pensioenuitgaven slechts met een kwart zullen toenemen. Dat is de helft van de toename die verwacht werd bij ongewijzigd beleid. Een gemiddelde gepensioneerde zal een kwart minder pensioen ontvangen: voornamelijk omdat men pas veel later een pensioen zal krijgen. Deze regering laat met andere woorden de toekomstige gepensioneerden de vergrijzing betalen. Het is een gitzwarte week voor ons sociaal bestel.
Wat staat er in de nieuwe wet?

Overheids- en werknemersstelsel: pensioenleeftijd
De regering verhoogt ook de wettelijke pensioenleeftijd tot 66 jaar in 2025 en 67 jaar in 2030. De verhoging gaat telkens in op 1 februari.

Overheids- en werknemersstelsel: vervroegd pensioen
De loopbaan- en leeftijdsvoorwaarden voor vervroegd pensioen worden opnieuw verstrengd. De onderstaande tabel biedt een overzicht van de voorwaarden. Vanaf 2019 is pensioen op 60 jaar nog slechts mogelijk na een loopbaan van 44 jaar, op 61 jaar na een loopbaan van 43 jaar en vanaf 63 jaar na een loopbaan van 42 jaar.

Net als bij de afbouw van de diplomabonificatie gelden de volgende garanties in het overheidsstelsel: 
1. Van wie op een bepaald moment met pensioen kan, wordt het recht vastgeklikt. Langer werken is dus nooit nadelig.
2. De nieuwe voorwaarden zijn niet van toepassing op personeelsleden die voor 1 januari 2015 in een voltijdse of deeltijdse disponibiliteit voorafgaand aan de oppensioenstelling hebben aangevraagd of konden aangevraagd hebben.
3. Op 1 januari gelden de voorwaarden van het voorgaande jaar. 
4. Van wie geboren is voor 1962 wordt het aantal bijkomend te werken jaren beperkt. Wie geboren is voor 1958 dient maximum 1 jaar langer te werken; dat wordt 2 jaar voor wie geboren is in 1958 of 1959; en 3 jaar voor wie geboren is in 1960 of 1961.

In het werknemersstelsel geldt eveneens dat het recht wordt vastgeklikt en dat wie geboren is voor 1958 maximum 1 jaar langer dient te werken ten opzicht van de oude regeling. Er geldt ook een uitzondering voor werknemers die werden ontslagen voor 9 oktober 2014.
Al deze elementen maken de regeling bijzonder complex: wie z’n vroegste pensioendatum wil kennen dient een berekening te laten maken.
Overlevingspensioen

Verder verhoogt men nog eens de leeftijdsgrens voor de toekenning van het overlevingspensioen. Deze wordt tussen 2025 en 2030 opgetrokken van 50 naar 55 jaar. Onder deze leeftijd komt men enkel in aanmerking voor een overbruggingsuitkering