Aanvullende pensioenen in een winterslaap?

In de overheidssector bevinden de aanvullende pensioenen zich nog in hun kinderschoenen. Enkel de gemeenten en OCMW’s in Vlaanderen en De Lijn kennen stelsels met een ruime toepassing. Werknemers in die sectoren hebben meestal geen uitzicht meer op een benoeming. Om een redelijk pensioen te waarborgen is een aanvullend pensioen dan ook noodzakelijk.

De wet op de aanvullende pensioenen voorziet een gegarandeerd minimumrendement op de kapitalen die in de aanvullende pensioensystemen bijeen worden gespaard. De rendementswaarborg geldt dus enkel voor de aanvullende pensioensystemen waarbij jaarlijks een vast percentage van het loon in het stelsel wordt gestort. Enkel bij de gemeenten en OCMW’s in Vlaanderen bestaat zo’n stelsel (uitgezonderd de stelsels van de Provincies Antwerpen en Limburg). De rendementsgarantie houdt in dat het jaarlijkse rendement in de stelsels eventueel hoger kan zijn dan de garantie, maar nooit lager. 

De garantie bedraagt op dit moment 3,25 % voor werkgeversbijdragen. Het is de werkgever die ervoor moet zorgen dat het gegarandeerd rendement wordt behaald. Werkgevers schuiven op hun beurt die verplichting door naar verzekeraars en pensioenfondsen. Deze zorgen voor het beheer van de aanvullende pensioenstelsels én voor het gegarandeerd rendement.

Een verzekerbare rendementsgarantie

De afgelopen jaren werd het voor de verzekeraars steeds moeilijker om de gegarandeerde rendementen te waarborgen. Omwille van strengere Europese regels verkozen zij vooral te gaan beleggen in overheidsobligaties. De opbrengsten van die obligaties gingen de afgelopen jaren echter sterk achteruit. Veel verzekeraars wilden daarop geen nieuwe rendementsgaranties meer waarborgen en probeerden zich te ontdoen van de bestaande garanties. Voortaan zouden werkgevers dus zelf moeten instaan voor de rendementsgarantie. Zoiets zou de ontwikkeling van de aanvullende pensioenen lamleggen. Daarenboven vonden de verzekeraars minister Bacquelaine bereid om de rendementsgarantie te verlagen. Met, maar desnoods ook zonder akkoord onder de sociale partners.

De wettelijke rendementsgarantie moest dus worden aangepast zodat ze opnieuw verzekerbaar zou zijn. Een akkoord onder de sociale partners was te verkiezen boven een eenzijdige regeringsbeslissing. Het rendement moet echter voldoende hoog blijven om het vertrouwen in de aanvullende pensioenen te waarborgen. Wat in het pensioenstelsel gestopt wordt, is immers uitgesteld loon en daar moet een goed rendement tegenover staan.  

Een variabele rendementsgarantie

Het nieuwe systeem dat vanaf 1 januari 2016 zal gelden, komt daaraan tegemoet en houdt de beslissing weg van de wetstraat. Voortaan zal er worden gewerkt met een gedeeltelijk variabele garantie. Binnen een beneden- en bovengrens zal de garantie variëren afhankelijk van het rendement op overheidsobligaties. Het systeem is vergelijkbaar met een variabele hypotheekrente. Vanuit vakbondshoek eisten we natuurlijk een stevige minimumsokkel. Die wordt nu vastgelegd op 1,75%. Wanneer de rentes op overheidsobligaties zouden gaan stijgen kan de garantie mee oplopen tot 3,75%. Wanneer een einde zou komen aan de periode met lage rentes kan het gewaarborgd rendement zo opnieuw de hoogte in gaan.

Dat laatste maakt het moeilijk om de nieuwe rendementsgarantie te vergelijken met de oude. In het slechtste geval, wanneer de rente laag blijft, kan de nieuwe garantie ervoor zorgen dat een aanvullend pensioen één derde lager zal zijn. Dat verschil wordt kleiner naarmate de rente in de toekomst zou gaan stijgen.

Behoud verworven rechten

Een andere belangrijke eis van onze kant was dat er geen afbreuk zou worden gedaan aan de lopende verzekeringscontracten. Een uitgangspunt van het akkoord is dan ook dat rendementen die bij de storting van de bijdragen werden beloofd, gewaarborgd blijven. Wie vandaag bijvoorbeeld een kapitaal van 1000 euro heeft opgebouwd waarbij de garantie van 3,25% geldt, kan er dus zeker van zijn dat het kapitaal die 3,25% per jaar zal blijven opbrengen. 

Overlijdensdekking uitgebreid

Naast een aanpassing van de rendementswaarborg voorziet het akkoord ook nog een uitbereiding van de overlijdensdekking. Vandaag vervalt die meestal na uitdiensttreding en voor de opname van het aanvullend pensioen. Het opgebouwd pensioenkapitaal ging vaak verloren wanneer iemand die zich in die situatie bevond kwam te overlijden. Nabestaanden zagen dan niets van het opgebouwde kapitaal. Het akkoord past daar nu een mouw aan. Er wordt voortaan een mini-overlijdensdekking gegarandeerd. Bij voortijdig overlijden zullen de nabestaanden in elk geval de terugbetaling van opgespaarde reserves krijgen. De regeling geldt wel enkel voor wie vanaf 2016 uit dienst treedt.