Ontwerp IPA bereikt: Wat betekent het?


De Groep van 10 (de vakbonden en werkgeversorganisaties) heeft een ontwerp van interprofessioneel akkoord bereikt. Binnen het ACV start nu een proces van consultatie. De Algemene Raad van het ACV beslist op 26 maart of het ontwerpakkoord goedgekeurd wordt. Dit is wat het betekent.

Het ontwerp van akkoord bestaat uit meerdere delen: 

1. Een afspraak over de maximale loonmarge voor de onderhandelingen in de privésector en economische overheidsbedrijven. Op basis van de berekeningen van economen in de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven is die marge vastgesteld op 1,1% (boven automatische indexatie).
Verder: 
  • moeten de echte loonstijgingen in de sectoren en bedrijven nog onderhandeld worden.
  • worden sommige voordelen, zoals bijstortingen voor aanvullend pensioenen of niet-recurrente resultaatgebonden voordelen (cao 90), niet meegeteld om de marge te bereiken.
Daarnaast is er een oproep om in de sectoren de verschillen tussen de aanvullende pensioenplannen van arbeiders en bedienden weg te werken tegen 2025. 

2. Een verhoging van 1,1% van het interprofessioneel gewaarborgd minimumloon vanaf 1 juli 2019. De laatste verhoging dateert van 2008. Dat is dus meer dan 10 jaar geleden. Ongeveer 60 000 werknemers vallen vandaag terug op het minimum.

Tegen 30 september 2019 zullen de sociale partners voorstellen uitwerken voor een aanzienlijke verhoging van dat gewaarborgd minimum (er zijn nu 3 verschillende bedragen die afhankelijk zijn van leeftijd). Door de regelingen van de werkbonus en fiscale bonus die de regering heeft ingevoerd, krijgen werknemers in de laagste loongroepen maar een klein netto voordeel zelfs al wordt een stevige verhoging afgesproken. Er is dus afgesproken dat dat probleem opgelost moet worden, zodat werknemers in die situatie er sterker op vooruit gaan.

3. Het welvaartsvast maken van een hele reeks sociale uitkeringen. Daar is een budget van € 720 miljoen uitgetrokken. Er is overeengekomen dat er verbeteringen komen van de sociale zekerheid voor alle takken. De middelen worden op zo'n manier gebruikt dat ze vooral terechtkomen bij sociaal zwakkeren. De belangrijkste zijn:
  • Minister van pensioenen Bacquelaine had een verbetering voorzien van 1,4% van het minimum werknemerspensioen voor wie een volledige loopbaan van 45 jaar heeft. Die verhoging komt er nu ook voor de werknemerspensioenen met een onvolledige loopbaan.
  • In alle takken van de sociale zekerheid worden de plafonds voor de berekening van uitkeringen opgetrokken met 1,1%. Voor de werknemerspensioenen gebeurt dat met 1,7%
  • De verschillende minima worden in principe met 2,4% verhoogd (behalve waar door de regering al eerder een verhoging is beslist).
  • Voor werknemerspensioenen ouder dan 5 jaar: + 2%. Voor de oudste uitkeringen (die 20 jaar geleden zijn ingegaan) komt er nog 0,7% bij. Het vakantiegeld voor de werknemerspensioenen wordt met 6,5% verhoogd.
  • Voor de andere uitkeringen die ouder zijn dan 5 jaar: + 2%.
  • Voor de RIZIV-uitkeringen wordt het vakantiegeld na 2 jaar invaliditeit verhoogd voor gezinshoofden.
  • Op het vlak van werkloosheid worden de plafonds voor de berekening van het SWT met +1% verhoogd, ook voor bestaande gevallen. 
  • Daarnaast worden de werkloosheidsuitkeringen verhoogd:     
    • 3,5% voor gezinshoofden & bevoorrecht samenwonend (staan het dichtst bij de armoedegrens)
    • 2,4% voor alleenstaanden
    • 2% voor samenwonenden
4. Er zijn een aantal verbeteringen op het vlak van mobiliteit.

Er wordt aanbevolen het systeem van het mobiliteitsbudget te promoten.

Daarnaast:
  • wordt de forfaitaire tussenkomst van de werkgever voor het openbaar vervoer opgetrokken tot 70% (in openbare diensten geldt in het algemeen 100%, maar in de privésector is dat lang niet het geval)
  • geldt vanaf 2020 die regeling ook voor woon-werkverplaatsingen van minder dan 5 km (tot nog toe was dat 10 km).
  • wordt de derdebetalersregeling verlengd.
  • is er een aanbeveling om de fietsvergoeding te veralgemenen en om het gebruik van duurzame mobiliteitsmodi te stimuleren.
5. De werkgevers hadden geëist dat het systeem van 'vrijwillige overuren' (zonder dat inhaalrust moet gegeven worden) wordt opgetrokken van 100 uren nu naar 360 uren. Uiteindelijk is men overeengekomen dat die verhoging beperkt blijft tot 120 uren (dus +20u) wat toch veel redelijker is dan de eis van de werkgevers.

6. Er is afgesproken dat er een nieuwe oplossing moet worden uitgewerkt voor het deel van de opzegvergoeding dat wettelijk besteed moet worden aan inzetbaarheid. Nu moet 1/3e van een opzeg van meer dan 30 weken besteed worden aan inzetbaarheid. Als dat niet gebeurt, zijn er zowel voor de werkgever als voor de werknemer sancties. De sociale partners willen tegen 30 september een andere oplossing uitwerken en aan de regering voorstellen.

7. Over eindeloopbaan (SWT en landingsbanen) is overeengekomen dat het oorspronkelijke plan van de regering om de leeftijdsvoorwaarde op te trekken tot 60 jaar met twee en een half jaar wordt uitgesteld en veel geleidelijker gebeurt. Dat is vooral van belang voor ondernemingen in moeilijkheden of in herstructurering.

8. Er is overeengekomen een aantal cao's die anders zouden aflopen, verlengd worden. Dat gaat bijvoorbeeld over de besteding van 0,10% bijdrage voor de tewerkstelling van risicogroepen.


Hoe moet het nu verder?

De verschillende sociale partners bespreken nu intern of ze het ontwerp van akkoord kunnen bekrachtigen. Voor de vakbonden zal dat gebeuren op 26 maart (bijeenkomst algemene raad ACV).

Er is op 26 februari contact geweest met de regering. De eerste minister heeft toen verklaard dat het akkoord door de regering zal worden uitgevoerd, als alle partijen het akkoord effectief ondertekenen.

Alleen Open VLD en N-VA bieden weerstand tegen het onderdeel van de eindeloopbaanregeling. Zij willen op dat punt veel strenger zijn.


Wat zijn dan de gevolgen als er toch geen akkoord zou komen? 

Zonder sociaal akkoord: 
  • komt er geen welvaartsvastheid voor de sociale uitkeringen (toch goed voor € 700 miljoen meer koopkracht voor sociale uitkeringstrekkers)
  • is er totale onzekerheid over de mogelijke loonmarges. Sterke sectoren zullen dan wellicht wel iets kunnen onderhandelen. Maar economisch zwakkere sectoren hebben dan geen kapstok voor hun onderhandelingen. En mogelijks zal de regering dan hoe dan ook een maximumplafond opleggen om de sterke sectoren te beperken. 
  • gaat de verhoging van het interprofessioneel minimumloon met 1,1% niet door.
  • komen er geen correcties op de eindeloopbaanmaatregelen rond SWT (terwijl we die maatregelen nu 2,5 jaar wisten uit te stellen)
  • vervallen een aantal lopende cao's.

Wat betekent een IPA voor de openbare sector?

De ganse discussie over de loonnorm is juridisch gesproken niet van toepassing op de openbare sector. Vermits de regeringen ontslagnemend zijn, zullen we hoe dan ook moeten wachten op nieuwe regeringen vooraleer we onderhandelingenen kunnen aanknopen.

Maar een interprofessioneel akkoord is voor de openbare sector altijd een goed aanknopingspunt om naar te verwijzen en om zo ook voor het overheidspersoneel tot een globaal akkoord en sectorale akkoorden te komen. Want een regering komt er maar bekaaid van af, als ze wel een sociaal akkoord mogelijk maakt in de privésector en het tegelijk weigert aan het overheidspersoneel. De punten uit het IPA zijn dus mogelijke kapstokken voor onze onderhandelingen.

Als er bijvoorbeeld een loonmarge wordt afgesproken voor de privésector, dan is dat een goed argument tijdens onderhandelingen voor het overheidspersoneel. En als men in de privésector de verstrenging van de SWT-regelingen weet achteruit te schuiven, is dat bijvoorbeeld het ideale argument om vervroegde uitstapregelingen in de openbare sector (die in de regel tijdelijk zijn) te verlengen.

De aanpassingen aan de welvaartsvastheid voor sociale uitkeringen zijn tegelijk van belang voor alle contractuelen in de openbare sector maar ook voor statutairen voor die delen van de sociale zekerheid die op hen van toepassing zijn (vnl. tussenkomsten gezondheidszorg).

Slotsom: Hoewel niet alles rechtstreeks van toepassing is op de openbare sector, toch heeft het overheidspersoneel zeer zeker belang bij een interprofessioneel akkoord.